Stuart Conquest

foto: Ray Morris-Hill

Grootmeester Stuart Conquest (1967, Engeland) won op zijn veertiende het jeugdwereldkampioenschap tot zestien jaar. In 1990 werd hij gedeeld eerste op het Lloyds Bank Masters in Londen en in 1995 en 2000 werd hij gedeeld eerste in Hastings. In 2008 werd hij Brits Kampioen. Hij speelde voor het Engelse team in vier Olympiades. De laatste twee jaar is Conquest toernooidirecteur van het Tradewise Gibraltar Chess Festival.

Op ons verzoek schreef Conquest over zijn schaakervaringen in Nederland. Lees je liever de originele Engelse versie, klik dan op English (rechtsboven):

Van dingen die (niet) voorbij zijn

Ik schrijf dit op mijn iPad, in een vliegtuig ergens tussen Bilbao en Londen. Over een paar dagen ben ik weer in Nederland, ongeveer voor de twintigste keer, denk ik. Soms kwam ik er als “toerist” (er moet een beter woord voor zijn), soms als schaker. Maar als ik terugdenk aan de lange nachten en vroege ochtenden in Schaakcafé Gambit, gevuld met rode wijn en snelschaakmarathons, dan was elk bezoek aan Nederland eigenlijk toch een soort schaakvakantie. Mijmerend over dat verleden, is mijn oude vriend Micha Leuw de eerste die ik voor me zie, altijd vrolijk en goed voor vele uren wederzijds vermaak. En dan was er natuurlijk Menashe, die altijd uitermate opgetogen was als er een grootmeester binnenliep. Ik herinner me zijn glimlach en uitgestrekte hand, en het glas wijn dat hij me aanreikte voor ik goed en wel was gaan zitten. Meestal klonk er klassieke muziek in het café, achter de bar stond Lydia of Marjolein, en nooit kon je binnenkomen of je zag ergens de goedgemutste kat Prindi, die haar naam te danken had aan voormalig wereldkampioene Nona Gaprindashvili.
 
Doorgaans vergezelde mijn oude maat Albert Blees me als ik naar Gambit ging. We stapten bij zijn huis in Zuid op de fiets, ik achterop, en reden via het Vondelpark kriskras naar de Jordaan, stuiterend over bruggen en straatstenen. Oneindig was mijn blijdschap en opluchting – en die van de fiets – als we ongeschonden de Bloemgracht hadden bereikt.

Binnen zagen we dan het vertrouwde beeld: een gemoedelijk keuvelend en lachend groepje vaste gasten, en misschien ook iemand alleen aan een tafeltje, die tevreden een boek of krant leest en genoeg heeft aan zijn eigen gedachten. Aan de muren dezelfde foto’s die ik bij mijn vorige bezoek heb gezien en achterin links de jassen op de kapstok. Hoge krukken voor de bar en, uiteraard, een mist van sigarettenrook. Dat was toen nog zo. Menashe en Yochanan Afek tegenover elkaar met een eindspelstudie tussen hen in. Aan een andere tafel heeft zich een aantal nieuwsgierigen verzameld. Tussen de ellebogen door zie ik, als een bokser in de ring, Manuel Bosboom flitsend zitten blitzen voor zijn publiek.

Een van de vrienden van Menashe was een man genaamd Michael Stoop. Ik meen dat ze elkaar hadden ontmoet tijdens het schaakcongres in Jersey. Michael was pas begonnen met schaken toen hij al in de zeventig was. Niettemin vond hij de vrienden die hij via het schaken had gemaakt, de meest interessante mensen die hij in heel zijn leven had ontmoet. Telkens wanneer ik Michael sprak (thuis in Engeland of in het buitenland: hij reisde graag naar toernooien), vroeg hij naar Menashe. Een keer zag ik de twee onwaarschijnlijke zielsverwanten samen in Gambit: een wonder van Caissa. Michael had een avontuurlijk leven achter de rug. Als jonge jongen was hij bevriend met de toekomstige koningin van Engeland, en toen hij in de twintig was, ging hij om met Ernest Hemingway; ze zijn zelfs samen wezen vissen voor de kust van Cuba. Dat zo iemand uiteindelijk in een schaakcafé in Amsterdam terecht komt… Hij moet zich er thuis hebben gevoeld.

Naast een aantal KNSB-wedstrijden in het team van Panfox heb ik in de loop der jaren verschillende toernooien gespeeld in Nederland. Zo was er een gesloten toernooi met 10 spelers in Dordrecht, een zustergemeente van Hastings (waar ik destijds woonde). Het staat me nog voor de geest dat ik op mijn verjaardag (1 maart) remise weigerde tegen Khalifman en vervolgens gewoon verloor. Verder heb ik ooit deelgenomen aan het welbekende snelschaaktoernooi in Dordrecht en ook eens, in de winter, aan het Groningen Open. De reis naar Groningen werd een verschrikking, nadat ik bij een tramhalte in Amsterdam, op weg naar het Centraal Station, bij het oppakken van mijn koffer zomaar ineens door mijn rug was gegaan. En ten minste één keer heb ik meegedaan aan een weekendtoernooi in Den Haag, waarna ik in Scheveningen terechtkwam en een Surinaamse dame leerde kennen, die me nog jarenlang kaartjes bleef sturen…

Maar meestal ging ik naar Amsterdam. Vaak wipte ik even aan op de terugweg van een weekend in de Bundesliga, met de trein vanuit Aken of Hamburg. Ik heb ook een paar open zomertoernooien in Amsterdam gespeeld, zoals het toernooi ter nagedachtenis aan Donner, die ik nooit heb ontmoet. Euwe heb ik natuurlijk ook nooit ontmoet, maar het heeft me altijd verwonderd dat je via de Donnerbrug uitkomt op het Max Euweplein. Zoiets is in Engeland volstrekt onmogelijk. Ik herinner me nog wel enkele andere Nederlandse spelers uit vorige generaties, zoals Hartoch en Enklaar. En ik heb één keer tegen Timman gespeeld en we hebben lange tijd vriendschappelijke banden onderhouden.

Tijdens mijn laatste verblijf in Amsterdam ben ik dagenlang – wekenlang, eigenlijk – bezig geweest in het Max Euwe Centrum om onderzoek te doen naar het leven van Johannes Zukertort. En ik heb ook menige avond doorgebracht in de Laurierboom, het café in de Jordaan dat de plaats van Gambit heeft ingenomen. Je komt er vele oude bekenden uit Gambit tegen en het is er goed toeven. Ik ben zelfs lid geworden van het schaakteam van de Laurierboom. Tot nu toe ben ik in twee wedstrijden voor ze uitgekomen. Het heeft er alle schijn van dat Amsterdam nog niets van zijn oude charme heeft verloren.