Paul van der Sterren over Max Euwe

Natuurlijk ben ik niet meer van de jongste tegenwoordig en zeker na mijn jarenlange volkomen afwezigheid uit de schaakwereld zal ik voor veel schakers van tegenwoordig een naam uit het verre verleden zijn. Maar om een idee te geven van hoeveel ouder dan ik Max Euwe dan weer is, is het misschien goed om te bedenken dat het verschil tussen Max en mij 55 jaar is (1901 tegenover 1956) en dat dat exact evenveel is als het verschil tussen mij en de schakertjes die op dit moment druk bezig zijn geboren te worden (1956 en 2011).

Dit statistisch gegeven maakt het misschien voor de lezer van nu enigszins invoelbaar hoe ook voor mij Max Euwe toch vooral iemand uit het verleden was. Zeker, ik heb hem nog meegemaakt, een jaar of tien zelfs, en ik heb hem ook geregeld ontmoet en in verschillende van zijn vele functies leren kennen. Maar hij was toch vooral iemand die ontzaglijk veel ouder was dan ik. Tussen ons bestond een natuurlijke afstand, niet alleen die tussen een wereldkampioen en een jong broekje, maar ook die van het zeer grote leeftijdsverschil. En toch. Er was óók gelijkheid, die heel specifieke gelijkheid die tussen álle schakers bestaat. Uiteindelijk waren ook wij gewoon twee leden van dezelfde club.

Ik ontmoette hem voor het eerst tijdens een simultaan die hij gaf in 1972 in Roermond. Toen al 71 jaar oud, schrok hij er niet voor terug om nog grote simultaanseances te geven, krachtsinspanningen die vele uren in beslag namen en waar soms ook nog eens verdomd lastige tegenstanders tussen zaten. Ik was er zo een. Nu, bijna veertig jaar later, zie ik heel goed dat het een typische simultaanpartij was van de ouder geworden kampioen tegen een jong talentje. Met omgekeerde rolverdeling heb ik zo ook simultaanpartijen gespeeld toen ik zelf ‘oud’ was, een jaar of veertig misschien en dus dertig jaar jonger dan Euwe destijds was. Hij vermeed een scherpe openingsstrijd, speelde gezond en eenvoudig, maar toch kwam ik met zwart al gauw iets beter te staan. Hij moest zich beperken tot de verdediging. Dat deed hij niet slecht, maar langzaam ging het toch van kwaad tot erger en na 70 zetten gaf hij op. Hoewel hij natuurlijk uiterst sportief en beleefd bleef, merkte ik heel goed dat hij het niet leuk vond om te verliezen en hij had er in de laatste fase ook alles aan gedaan om me nog een spaak in het wiel te steken.

Maar grappig genoeg voelde ik juist door die felle tegenstand, die overduidelijke onwil om het hoofd te buigen, die weigering om ‘populair’ te doen en een houding aan te nemen van ‘ach, het is maar een spelletje, je mag best van me winnen, hoor’, een sterke verwantschap. Hij was het ‘nog steeds’, ik was het ‘al’: echte schakers, die niet voor elkaar onder willen doen. Gladiatoren, die alleen maar feller vechten naarmate de tegenstand sterker wordt.

Ook in 1975 voelde ik die verwantschap weer, toen ik in het (toen) Joegoslavische Tjentiste het Jeugdwereldkampioenschap speelde en Max daar als FIDE-president een paar dagen op bezoek was. Hij straalde neutraliteit uit, maar was toch ook vol belangstelling voor die Nederlandse deelnemer. En hij zag heel goed dat ik aan de ene kant een realistische kans had om het toernooi te winnen, maar dat ik zeker niet de enige kanshebber was en dat ik ook wel eens vreselijk tussen de wielen zou kunnen komen. Een positieve, maar realistische houding, dat voelde ik en dat waardeerde ik ook. Opnieuw: ik had het gevoel dat we elkaar – ondanks het grote leeftijdsverschil – begrepen.

In 1979, toen ik al volstrekt zeker wist dat ik van het schaken mijn beroep wilde maken, vroeg hij me om een nieuwe druk te verzorgen van de drie delen over het Damegambiet uit zijn beroemde twaalfdelige serie Theorie der Schaakopeningen, een standaardwerk dat al in de jaren dertig de toon had gezet en dankzij hele generaties van steeds weer nieuwe medewerkers tot in de jaren tachtig gezaghebbend bleef. Een eervolle opdracht, maar ook – zo voelde ik het tenminste – een aansporing om nu eindelijk eens echt serieus, wetenschappelijk nauwkeurig en grondig, aan mijn openingen te gaan werken. Hij wist – blijkbaar – dat ik het kon en dat gaf me vertrouwen.

Onze relatie was, tot op zekere hoogte, die tussen een grootvader en zijn kleinkind. Niet de intimiteit, maar ook niet de lasten van de directe ouder-kind relatie. Wel de verwantschap en het meer ontspannen, van een afstandje, elkaar in de gaten houden. Grappig genoeg verwissel ik hem ook vaak, in mijn dromen of in losse, hun eigen gang gaande gedachten, met mijn werkelijke grootvader, die ongeveer even oud was. Ze leken ook enigszins op elkaar, althans in de perceptie van een jongen voor wie oudere mensen allemaal erg op elkaar lijken. En nu denk ik: zou er over 55 jaar ook iemand zijn die op ongeveer deze manier op mij terugkijkt?

Paul van der Sterren, 2011